Lang zullen we leven

#14 Het ongemak van overvloed

Wil ik meer of wil ik minder? Ik voel me weer eens geweldig overweldigd. De CEO in mijn hoofd is in de war. En jouw CEO misschien ook wel.

Als je ons van een afstandje zou bekijken en in een paar seconden zou taxeren, dan zijn wij het schoolvoorbeeld van enorme bofkonten. Vriendin S. en ik. We hebben het gewoon goed voor elkaar. We zijn hoogopgeleid. We hebben een huis met een dak dat niet lekt. Een schoenencollectie die de term ‘basisbehoefte’ ruim overstijgt. We zijn onafhankelijk. We hebben gezonde (bonus)kinderen. En mannen die -het gros van de tijd- waanzinnig dol op ons zijn.

Terwijl we bijkletsen tijdens een etentje pingpongt ons gesprek van KANSEN (S. die een fantastisch bedrijf op poten heeft gezet, een business coach in de arm heeft genomen en stiekem snakt naar een vaste vrije dag; ik, meer uren draaiend dan ik eigenlijk wil, maar ja, er zit wéér een collega thuis en ja, die examenklassen moeten toch gedraaid worden. Het klinkt als een klaagzang van mijn kant, maar in één adem noem ik dan ook nog even dat ik toch wéér een opleiding ga doen én dat Erwin en ik samen een boek willen schrijven over dementie), naar KOPZORGEN (ouders met gezondheidsproblemen en hoe we zien dat op deze leeftijd onze rol verschuift: onze ouders zorgen niet langer voor ons, maar wij zorgen voor onze ouders) naar KEUZESTRESS (welke pruik gaat bij welke Vastelaovendoutfit?).

Ik besef dat een gesprek waarin ambitie, zorg, verlangen en huishoudelijke logistiek moeiteloos naast elkaar bestaan waarschijnlijk de definitie is van volwassen vriendschap. Maar ik besef nog iets. Ergens halverwege de avond valt me op dat we eigenlijk twee dingen zeggen.
Een deel van ons wil minder.
Minder stress.
Minder moeten.
Minder spullen.
Minder bewijsdrang.

En tegelijkertijd willen we meer.
Meer energie.
Meer erkenning.
Meer tijd met vriendinnen.
Meer discipline.
Meer impact.
Meer balans tussen werk en leven
Meer ruimte.
Meer betekenis.

Het is geen uitgesproken verlangen. En toch ligt het daar, ergens tussen onze borden saté in. Als ik die avond naar huis rijd, blijft dat dubbele gevoel door mijn hoofd spelen.

Zelfs nu ik dit opschrijf voelt het een beetje als een hypothese. In mijn onderzoeksgebied van precies twee personen -S. en moi- is mijn relatie met ‘meer’ allesbehalve eenduidig. Maar ik kan me haast niet voorstellen dat wij de enigen zijn.
Wat betekent dat groeiende verlangen? En meer nog, moeten we er iets mee?
Is het ontevredenheid?
Is het ambitie?
Is het goed?
Of slecht?

Of is het simpelweg menselijk? Hoort het bij dit tijdperk van overvloed en overconsumptie met nachtkastjes vol boeken die we nog willen lezen, uitpuilende kledingkasten met blousjes en truien weggemoffeld achterin waarvan we overtuigd zijn dat we ze ooit nog eens gaan dragen, lades vol spullen die we écht van plan zijn uit te zoeken en notitieboekjes vol met plannen, dromen en doelen die wachten op uitvoering? Zucht.

We verzamelen.
We bewaren.
We stellen uit.

En toch, hoe ouder ik word, hoe meer ik verlang naar minder.
Minder spullen in huis.
Minder verantwoordelijkheid.
Minder sociale media.
Minder beslissingen.

Volle kasten en volle agenda’s horen misschien bij deze ren-je-rot-maatschappij, maar het hoort niet bij mij. Ik merk dat ik er niet per se gelukkiger van word. Ik neig steeds meer naar rust in plaats van reuring. Naar een boek in plaats van een borrel.

Misschien is dat geen conclusie, maar een verschuiving. Misschien is dit gewoon hoe het voelt om midden in het leven te staan.
Ik weet nog niet wat het antwoord is. Jij wel?

Plaats een reactie