Voorzichtig kijken we om de hoek van de woonkamer. Ze is in gesprek met iemand. Als ze zich omdraait en ons ziet, verandert de blik in haar ogen. “Wat leuk dat jullie er zijn? Of komen jullie me halen?” Bij deze tweede zin schiet haar stem hoopvol omhoog en lichten haar ogen even op.
We nemen haar mee naar haar studio. In de gang wordt haar ademhaling hoger. Onrustiger. We hebben koekjes meegenomen en een flesje alcoholvrije wijn. Eenmaal in haar vertrouwde stoel komen de vragen: Hoe gaat het met ons? (3x) Willen we wat drinken? (3x) Wonen de kinderen nog thuis? (2x) Gaan we nog op vakantie? (2x) Er komen tranen. Ze is onrustig, onzeker en heeft geen fijne dag. “Het is saai hier,” zegt ze. We proberen haar af te leiden en wijzen naar foto’s, naar de bomen in de tuin die nu in een rap tempo hun bladeren verliezen en de planten in haar kamer die er gezond bij staan. Het helpt even.
Ik vertel haar dat ik volgende week jarig ben. Dat we haar dan ophalen voor een lunch. Dat alle kinderen en kleinkinderen er dan ook zullen zijn. Ze fleurt wat op. Hoe oud word ik? 43. “Dat is een mooie leeftijd. Dan heb je al een hoop levenservaring. Een bepaalde wijsheid. En je hebt ook je hele leven nog voor je.” Ik ben het met haar eens. Die middag vertel ik drie keer dat ik volgende week 43 word. Drie keer wordt me verteld dat dat een mooie leeftijd is. Dat ik dan een bepaalde wijsheid heb en tevens mijn hele leven nog voor me heb. Drie maal is scheepsrecht. Ik word volgende week 43. Hopelijk komen daar nog heel veel jaren bij. En nog meer hoop ik dat alzheimer al die jaren ver weg blijft.

Plaats een reactie